Page 39 - Aardrijkskunde Vakstudie 2_1920
P. 39
- Kleuren: Kijk naar de kleuren en achterhaal welke kleur overheersen. Deze kleuren
veranderen echter ook volgens het moment van de dag: de kleuren zijn bij
zonsopgang anders dan tijdens de namiddag. Ze veranderen ook volgens de
seizoenen. De kleuren die in het wijnbouwlandschap overheersen zijn het groen van
de grond bedekt met gras, van het perceel wijnstokken en van de bossen op het
achterplan. We zien veel wit ter hoogte van de strook met bomen: het zijn
fruitbomen in bloei.
- Vormen: Beschrijf de vormen die in het landschap te ontdekken zijn, zoals de
krommingen van de heuvels, het bochtig of rechtlijnig uitzicht van de wegen, het
belang van het reliëf, enz. Let goed op de richting van sommige hellingen, in een
berglandschap kan er bijvoorbeeld gelet worden op de helling die in het zonlicht
baadt en de helling die in de schaduw blijft. Zo begrijpt men beter waarom bepaalde
gewassen op een bepaalde plaats worden geteeld en niet elders. Wat de vormen
betreft, zien we in het wijnbouwlandschap een zwakke helling in het perceel met de
wijnstokken op de voorgrond, rechts, meer naar achter toe zien we een duidelijkere
helling. Het reliëf wordt duidelijker aangegeven in de heuvels op het achterplan. Het
dorp lijkt op een heuvel gebouwd en de kerk staat apart.
- Begroeiing: Kijk naar de begroeiing en ga na welke belangrijke begroeiingen te zien
zijn. De begroeiing in het wijnbouwlandschap is hoofdzakelijk samengesteld uit
wijnstokken en bos, maar deze twee begroeiingen hebben een duidelijke plaats: de
wijnstokken vinden we onderaan de heuvels en het bos bovenop de heuvels. De
bossen zijn samengesteld uit kastanjebomen en acacia's: de wijnbouwers gebruiken
het hout van deze bomen voor het vervaardigen van steunpalen voor de wijnstokken,
omdat het erg stevig hout is. We zien drie grote eenheden in dit landschap, drie grote
homogene zones: de wijngaard, het bos en het dorp omringd door de fruitbomen.
▪ Situering van het landschap in de tijd
Het landschap kan ook gesitueerd worden in de tijd, zowel in de loop van de geschiedenis
als in de loop van het jaar. Hiertoe dienen de begroeiing en sporen van de geschiedenis
bestudeerd te worden.
- Begroeiing: Tracht een antwoord te vinden op vragen zoals ‘Als er bossen,
wijngaarden of boomgaarden zijn, zijn dit dan oude of recente beplantingen?’ en
‘Ging men onlangs over tot een verandering van culturen, zoals het omvormen van
weideland of ontginning?’. In het wijnbouwlandschap heeft de wijnstok nog geen
bladeren en enkel wat fruitbomen staan in bloei. Deze gegevens zeggen ons iets meer
over het seizoen; het is lente. De wijnstok is een overblijvende plant, hij gaat
jarenlang mee en heeft dus zo goed als een vaste plek in het landschap.
- Sporen van de geschiedenis: Tracht een antwoord te vinden op vragen zoals: ‘Zijn er
zaken die getuigen van de geschiedenis, zoals ruines van kastelen, grachten, heel
oude bomen, overblijfselen, e.d.?’ en ‘Zijn de boerderijen oud of nieuw?’. Probeer
altijd informatie in te winnen over de plaatsnamen; ze hebben altijd een zeer oude
origine en zeggen meestal veel over de geschiedenis van de streek. Hiervoor kan je
ook het kadaster raadplegen. Het dorp in het wijnbouwlandschap bestaat uit oude
huizen, zeker het gedeelte rond de kerk. Maar men kan ook een recente uitbreiding
1 AA VS 2 39 © 2019 Arteveldehogeschool

