Page 241 - Aardrijkskunde Vakstudie 2_1920
P. 241

Amerikaanse  classificatie  geen  plaats  is  voor  vermengingen  tussen  de  verschillende
                        categorieën blijft de kloof tussen beide groepen zeer groot.

                        Alles bij elkaar genomen, moeten we besluiten dat het weinig zinvol is om in handboeken
                        te spreken van rassen en mengrassen. De gebruikte terminologie stamt namelijk uit een
                        tijdperk waarin wetenschappers beperkt waren tot een determinatie van de huidskleur
                        en een opmeting van de schedelomtrek. Termen als mesties of zambo negeren elke vorm
                        van  wetenschappelijke  vooruitgang  in  de  genetica.  Zeggen  dat  een  mesties  een
                        vermenging  is  van  een  indiaan  en  een  blanke  is  even  onwetenschappelijk  als  de
                        verwijzingen naar de fysieke en intellectuele superioriteit van de Walen, de luiheid van de
                        zwarten, de werklust van de Yankees of het korte geheugen van de Congolees. Het gebruik
                        van deze termen tot de op de dag van vandaag staat dan ook gelijk met het aanvaarden
                        en  reproduceren  van  aangebrande  ideeën  van  racistische  wetenschappers  uit  de
                        negentiende eeuw.

                        In plaats van volledig te zwijgen over rassen, lijkt het ons daarom in de eerste plaats
                        essentieel  om  de  fundamenten  van  de  rassenleer  in  elk  handboek  te  pareren.  De
                        schoolaardrijkskunde moet in de toekomst meer een beroep doen op de vooruitgang in
                        de biochemie, zoals die in andere vakken wordt onderwezen. In plaats van te denken in
                        termen  van  huidskleur  of  schedelvorm,  lijkt  het  ons  in  de  eenentwintigste  eeuw
                        aangewezen  om  het  te  hebben  over  genen  en  nucleotideparen.  Op  die  manier,  zo
                        beklemtoonde men dertig jaar geleden al in hun handboek, ligt de conclusie voor de hand:
                        “Biochemisch onderzoek relativeert sterk de betekenis van antropometrische indelingen
                        en het belang dat er vanuit wetenschappelijk standpunt mag aan gehecht worden”. Zo
                        wordt namelijk duidelijk dat de genetische variabiliteit tussen verschillende personen niet
                        op te delen valt in een aantal discrete groepen waar dan het label ‘ras’ op geplakt kan
                        worden. Genetisch gezien nemen we inderdaad wel verschillen waar tussen mensen,
                        maar die moeten eerder bekeken worden als een verschil tussen individuen in plaats van
                        tussen groepen van individuen.










                        Figuur 157: Gemiddeld aantal verschillende nucleotideparen in het DNA tengevolge van mutaties

                        Ten tweede lijkt het ons van belang om in handboeken aan te geven dat ras nog altijd wel
                        een  sociale  betekenis  heeft.  In  veel  samenlevingen  worden  mensen  immers
                        gediscrimineerd op basis van hun vermeende raciale kenmerken. Overal ter wereld is ras
                        nog een realiteit in de betekenis van racisme en rassendiscriminatie. Het feit dat een
                        kleine groep blanken in Latijns- Amerika zich van de grote groep mestiezen en indianen
                        kan distantiëren wijst bijvoorbeeld op de onderlinge machtsrelaties in die samenleving.
                        Precies op dezelfde manier zien we dat hispanics in officiële tellingen in de V.S. een aparte
                        categorie zijn en dat er in België steeds meer gepraat wordt over blanken en bruinen. Om
                        die macht te behouden is het soms nodig om groepen op te nemen binnen het eigen ras
                        in plaats van ze af te stoten. Op die manier kunnen we begrijpen waarom een rijkere



                        1 AA VS 2                             241                  © 2019 Arteveldehogeschool
   236   237   238   239   240   241   242   243   244   245   246