Page 160 - Aardrijkskundevakdidactiek_2021
P. 160

6.4.1    Vakdidactische eisen.



                        V.  Gaeremynck  synthetiseerde  de  stelregels  voor  een  goede  toets  aardrijkskunde  en
                        presenteerde die op de WAB-nascholingsactiviteit op 27 maart 2012. De ‘kwaliteitseisen
                        proefwerkvragen’ zijn hierbij weergegeven (Gaeremynck, 2012).

               6.4.1.1  Overzicht van stelregels voor een goede toets.

                        ▪       Betrouwbaarheid bevorderen.

                        Toets eerlijk. Zorg dat elke leerling een eerlijke kans krijgt om aan te tonen wat hij kent
                        en kan.

                        ✓  het resultaat weerspiegelt de mate waarin de leerling de leerdoelen bereikt heeft.
                        ✓  de beoordeling moet onderscheid maken tussen de leerlingen die de doelen in
                           meerdere dan wil in mindere mate hebben bereikt
                        ✓  opgaven met een optimale variatie van moeilijkheidsgraad

                        Toets objectief. De resultaten mogen niet afhankelijk zijn van de beoordelaar.

                        ✓  vooraf correctievoorschriften en cesuurbepaling bepalen
                        ✓  helder en éénduidig te interpreteren beoordelingscriteria
                        ✓  een antwoordsleutel en duidelijke puntenverdeling

                        Toets consistent. Leerlingen worden op een gelijkwaardige of vergelijkbare manier
                        getoetst. Toets breed. Baseer de toets op meerdere bronnen, momenten, beoordelaars
                        …

                        ✓  De omvang van de toets moet voldoende groot zijn om een betrouwbaar oordeel te
                           kunnen vellen
                        ✓  goede spreiding van de vragen over de volledige semester
                        ✓  excursievragen opgenomen

                        Indicatoren betrouwbaarheid bevorderen.


                         1.  Worden toeval en storende factoren ( geluk met de vragen, te lange toetsen, …)
                            uitgesloten?
                         2.  Zijn er voldoende vragen?
                         3.  Is er voldoende variatie in moeilijkheidsgraad? Nivelleert de toets (te) sterk?
                         4.  Zijn de vragen voldoende specifiek? Worden vragen vermeden die leerlingen
                            kunnen maken op basis van algemene voorkennis en niet op basis van wat ze in de
                            les geleerd hebben?
                         5.  Zijn de vragen onafhankelijk van elkaar?
                         6.  Is het taalgebruik afgestemd op het niveau van de leerlingen?
                         7.  Is de toets duidelijk en helder opgesteld?
                         8.  Is de toets voorzien van objectieve en eenduidige beoordelingscriteria of een
                            antwoordsleutel?
                         9.  Wordt de boordeling schriftelijk verantwoord/onderbouwd?
                         10. Is er een duidelijke beoordelingsschaal?



                        2 AAVD                                 160                  © 2020 Arteveldehogeschool
   155   156   157   158   159   160   161   162   163   164   165