Page 161 - Aardrijkskundevakdidactiek_2021
P. 161

11. Is de toets voorzien van een duidelijke normering/cesuur? Wordt de cesuur
                            verantwoord?
                         12. Is de toets consistent?

                         13. Worden leerlingen op een vergelijkbare manier getoetst?
                         14. Is de beoordeling gebaseerd op meerdere ‘bronnen (bv. bewijzen, toetsen,
                            situaties,…)?
                         15. Integreert de toets meerdere momenten?
                         16.  Worden er indien mogelijk meerdere beoordelaars ingeschakeld (bv. self, peer, co-
                            ­­assessement…)?



                        ▪       Efficiëntie beogen.

                        Toets zo kwaliteitsvol mogelijk met zo weinig mogelijk kosten en tijd.

                        Indicatoren efficiëntie beogen


                         1.  Is er vooraf nagegaan of de toets uitvoerbaar en realistisch is voor leerling en
                             leraar?
                         2.  Is de toets uitvoerbaar voor leerling en leraar met de beschikbare middelen en in
                             de beschikbare tijd?
                         3.  Is de toets eenvoudig en overzichtelijk opgesteld? Zijn de instructies, de
                             beoordelingscriteria, de beoordelingsschaal, de gewichten, de cesuur ….
                             Eenvoudig en overzichtelijk?
                         4.  Wordt er gebruik gemaakt van ICT voor de opslag, afname, ontwikkeling, scores,
                             analyses, … van de toets?
                         5.  Kan er efficiënter worden getoetst door met andere leraren toetsing uit te voeren
                             of door gebruik te maken van databanken met bestaande toetsen met gelijke
                             leerdoelen?
                         6.  Kan de evaluatiepraktijk goedkoper, eenvoudiger, minder uitgebreid of
                             inzichtelijker, zonder dat de kwaliteit in het gedrang komt?
                         7.  Staat de investering in de toets in verhouding tot het leerrendement door de
                            leerling?





















                        2 AAVD                                 161                  © 2020 Arteveldehogeschool
   156   157   158   159   160   161   162   163   164   165   166