Page 207 - Aardrijkskunde Vakstudie 2_20142015
P. 207

Ten behoeve van het Europees Parlement verscheen in 2008 bij het EU-directoraat-
       generaal voor intern beleid een studie over bevolkingskrimp in de nabije toekomst. De
       vorige kaart geeft daaruit de tot 2030 te verwachten bevolkingsontwikkeling. Van de 271
       onderscheiden regio’s wordt in 32 zeer zeker een dalend inwonertal verwacht, in 75
       regio’s zeer waarschijnlijk; in totaal gaat het in de EU-27 dus om 40 procent van de regio’s.
       Wat opvalt is dat bevolkingsdaling veeleer een verschijnsel is van de periferie dan van de
       grote economische centra. Van deze laatste centra hebben alleen het Ruhrgebied en
       Berlijn direct te maken met bevolkingsdaling.

8.4.4  Vergrijzing

       Zodra het kindertal in een bevolking gaat dalen, treedt veroudering op. De jongste
       leeftijdsgroepen onder in de leeftijdspiramide verliezen kwantitatief aan belang, de
       ouderen boven in de piramide worden juist belangrijker. Daardoor schuift het
       zwaartepunt van de bevolking qua leeftijd omhoog. Zolang het kindertal boven het
       vervangingsniveau blijft, gaat veroudering normaliter samen met bevolkingsgroei; komt
       het eronder dan volgt, met enige vertraging, krimp, tenzij migratie als compenserende
       factor optreedt. De verschuivingen in de leeftijdsopbouw zijn op termijn van dien aard dat
       de oudere leeftijdsgroepen ten opzichte van de jongere zodanig toenemen dat er meer
       mensen overlijden dan er kinderen worden geboren. Dat kan zelfs gebeuren bij een
       toenemende levensverwachting, want door uitstel van sterfte overlijden er minder
       mensen. Dat vertaalt zich overigens ook in ‘extra vergrijzing’ en ‘uitstel van krimp’. Op
       de weg naar krimp kan ook migratie uitstel opleveren.

       In veel delen van Europa bereiken volgens de huidige veronderstellingen medio deze
       eeuw de mediane leeftijd van de bevolking alsmede de percentages 65-plussers (en iets
       later ook die van de 80-plussers) een maximum, want daarna lijkt enige daling daarvan
       op te treden. Dat heeft vooral te maken met het uitsterven van de naoorlogse
       geboortegolf. De bevolking van straks is wel aanzienlijk ouder dan die nu is. Maar zover is
       het nog niet. Eerst stijgt de mediane leeftijd in Europa nog van 40 naar bijna 47 jaar.
       Binnen Europa zijn daarin aanzienlijk verschillen: in Zuid-Europa tot 49 jaar, terwijl Noord-
       Europa niet veel verder zal komen dan 43 jaar. Binnen de EU-27 bevinden vooral Italië,
       Duitsland, Bulgarije, Slovenië, Oostenrijk en Tsjechië zich in de voorhoede van de
       vergrijzing. Ook in Noord-Afrika en West-Azië is het proces van vergrijzing onderweg,
       maar het loopt daar circa een halve eeuw achter op Europa.

       Niet alleen de totale bevolking maar ook de arbeidsmarktbevolking vergrijst. De
       gemiddelde werknemer van straks is ouder dan die van nu. En terwijl de potentiële
       beroepsbevolking qua omvang slinkt, groeit het aantal 65-plussers. De tabel aan het einde
       van dit hoofdstuk geeft ook een overzicht van de demografische druk, te weten de ‘totale
       druk’ (=het aantal personen van 0-14 plus van 65 jaar of ouder per 100 personen van 15-
       64 jaar) en de ‘grijze druk’ (=het aantal personen van 65 jaar of ouder per 100 personen
       van 15-64 jaar). Beide indicatoren zijn nu relatief hoog in Noord- en West- maar straks
       juist in Zuid-Europa (Italië en Spanje). Ook hier geldt weer dat Noord-Afrika en West-Azië
       de ontwikkelingen in Europa met een verschil van enkele decennia volgen. De volgende
       kaart laat per NUTS-2 gebied zien waar in de EU de ‘grijze druk’ momenteel hoog of juist
       laag is: hoog in delen van Zweden, Duitsland, Frankrijk, Spanje, Italië en Griekenland, en

       1 AA VS 2  207  © 2014 Arteveldehogeschool
   202   203   204   205   206   207   208   209   210   211   212