Page 47 - Aardrijkskundevakdidactiek_2021
P. 47

leden van de maatschappij (socialisatie). Om dit te bereiken zal het onderwijs zich dus –
                        naast  de  cognitieve  vorming  -  ook  moeten  richten  op  het  domein  van  de  affectieve
                        vorming.  Het  affectieve  heeft  betrekking  op  de  interesse  van  de  leerlingen,  de
                        waardenschaal die ze aanleggen, hun oordeel over de mensen en dingen.  Dit alles samen
                        bepaalt hun houding of attitude.

                        Een leerling(e) bezit een bepaalde attitude als hij/zij constant bepaalde gewoonten of
                        bepaalde regels naleeft.  Zijn/haar gedragingen zijn een uiting van zijn/haar attitude.  Via
                        de gedragingen zijn de attitudes dus observeerbaar.

                        Attitudes,  goede  (positieve)  attitudes  of  negatieve,  worden  verworven  door  het
                        voorbeeld dat van anderen uitgaat (ouders, familie, vrienden, vreemden), door eigen
                        ervaring, door doelgericht onderricht en opvoeding.


                        De leraar aardrijkskunde moet derhalve niet alleen doorgever zijn van informatie, maar
                        moet ook vormer zijn, die helpt gestalte geven aan hart, karakter, gemoed en kritische
                        inzet.  Waardengericht onderwijs richt zich op de leerlingen, maar betrekt ook de leraar
                        met zijn persoonlijkheid bij dit vormingsproces.  Het innemen van een kritisch standpunt
                        over  maatschappelijke  situaties  steunt  op  geografische  kennis,  maar  ook  op  de
                        achterliggende waarden en normen.

               3.1.2    Eersterangsrol bij waardenoverdracht

                        Inzake ethiek en waardenoverdracht heeft aardrijkskunde een eersterangsrol te spelen
                        omwille van drie redenen :


                           ▪  Aardrijkskunde  hoort  tot  de  algemene  vorming.  Die  algemene  vorming  moet
                               uitlopen in een creatieve, positieve, dienende integratie in de maatschappij, die
                               voortdurend in evolutie is.
                           ▪  Veel aardrijkskundige thema's hebben raakvlakken met ethische aspecten.
                           ▪  De voornaamste reden is zonder twijfel dat aardrijkskunde een brugvak vormt
                               tussen  natuur-  en  menswetenschappen,  namelijk  tussen  fysische  en  sociaal-
                               economische aardrijkskunde.

                        Door de vanaf 2019-2020 nieuw ingevoerde eindtermen en leerplannen zien we een
                        verschuiving van het vak aardrijkskunde naar een (meer) exact wetenschappelijk vak
                        (met onder meer een sterker aanleunen bij Natuur(wetenschappen) en Techniek). De
                        eindtermen ‘ruimtelijk bewustzijn’ en ‘duurzaamheid’ en (in mindere mate)
                        ‘burgerschap’ hangen nauw samen en komen zeker aan bod binnen het vak
                        aardrijkskunde. Binnen deze eindtermen komen waardegebonden inhouden nog steeds
                        frequent aan bod en aardrijkskunde zal  nu en in de toekomst dus een eersterangsrol
                        blijven spelen wat betreft waardenoverdracht.

                        Het vak aardrijkskunde staat echter niet alleen met deze thematiek. Ook andere vakken
                        en zeker in het door het Katholiek Onderwijs Vlaanderen nieuw georganiseerd vak
                        ‘Mens en Samenleving’ en de door het Gemeenschapsonderwijs ingerichte leerlijn
                        ‘actief burgerschap’ wordt er immers gewerkt aan doelen met betrekking tot waarden.

                        De  leerplannen  houden  voldoende  keuzemogelijkheden  in  om  relevante
                        maatschappelijke  situaties  te  behandelen.  Voor  aardrijkskunde  is  dat  zeker  geen
                        probleem.  Maar een van de overwegingen die daarbij een rol spelen is de vrijheidsmarge
                        die men de leerling wil laten in zijn afwegingen en in de waarden en normen, die in de
                        klas aan bod zal komen. Een andere sterk limiterende overweging vormt natuurlijk het


                        2 AAVD                                 47                   © 2020 Arteveldehogeschool
   42   43   44   45   46   47   48   49   50   51   52