Page 72 - Aardrijkskundevakdidactiek_2021
P. 72

blonde familie, terwijl Schuiling (1906) ongeveer tegelijkertijd een onderscheid maakte
                        tussen  een  grote  groep  Indo-Europeanen  en  afzonderlijke  groepen  Joden,  Basken,
                        Kaukasiërs, Finnen, Turken en Mongolen. Die laatste drie behoorden volgens hem tot het
                        gele  ras.  Populair  was  ook  de  classificatie  van  de  blanke  Europeanen  in  drie  grote
                        variëteiten: de Germaanse variëteit ("met bleeke of rooskleurige blanke huid, langwerpig
                        hoofd, heldere ogen, blonde of kastanjebruine haaren"), de Mediterrane variëteit ("met
                        taankleurige-blanke huid, langwerpig hoofd, donkere oogen, zwarte haren") en de Alpine
                        varië  teit  ("met  lichtbruine  huid,  breed  hoofd,  bruine  of  zwarte  golvende  haren").
                        Hiernaast werden enkele Noord- en Oost-Europese volkeren "met bleekgele huid" nog
                        ingedeeld bij het gele ras, net zoals Schuiling dat eerder al had gedaan (zie ook figuur 6).

                        Vele auteurs gingen nog een stapje verder. Zo haalt Mok (1999, p. 328) een Nederlands
                        handboek  uit  1970  (  waarin  de  Nederlanders  ingedeeld  worden  volgens  drie  grote
                        Europese variëteiten: "ten noorden van de grote rivieren woont het Noordse ras, ten
                        zuiden daarvan Alpine ras en in Zeeland het Mediterrane type". In België bestond er een
                        gelijkaardige traditie om de lijn tussen twee variëteiten ter hoogte van de taalgrens te
                        trekken. Wetenschappelijke basis daarvoor was verstrekt door antropologen zoals Emile
                        Houzé (1882). Een uitgebreide opname in alle Belgische provincies deed hem besluiten
                        dat  er  niet  zoiets  bestond  als  een  Belgisch  ras  en  dat  Vlamingen  en  Walen  tot  een
                        verschillend ras behoorden. De cefalische index lag in Vlaanderen namelijk significant
                        lager dan in Wallonië (figuur 7). De kortschedelige Walen hadden dankzij hun verzet bij
                        de  invallen  van  de  Franken  geen  invloed  ondergaan  van  de  Germaanse  etnische
                        kenmerken en hadden aldus hun Keltische eigenheid kunnen behouden, in tegenstelling
                        tot  de  langschedelige  Vlamingen  (figuur  8).  Houzé  (1885)  verkondigde  zelfs  een
                        aangeboren inferioriteit bij de Vlamingen: "L'infériorité physique de la zone flamande est
                        un fait fortement marqué et indiscutable; I'infériorité intellectuelle est un fait notoire".



























                                       Figuur 12:De cefalische index per Belgische provincie (Houzé, 1882).
















                        2 AAVD                                 72                   © 2020 Arteveldehogeschool
   67   68   69   70   71   72   73   74   75   76   77