Page 73 - Aardrijkskundevakdidactiek_2021
P. 73
Figuur 13: Het Vlaamse en het Waalse type op de foto (Dumon-Wilden, 1935, p, 6)
De bevindingen van Houzé vonden al snel weerklank bij de opstellers van handboeken
aardrijkskunde. Zo noteerde Roland al in 1896 (p. 42) dat de Belgen tot twee grote families
behoorden: "de blonde familie heeft de overhand in Laag-België, vooral in Vlaanderen, en
de bruine familie in Hoog-België, vooral in de provincie Luik en de Ardennen". Dertig jaar
later ging Halkin (1927) hier iets dieper op in: "[In België] vallen twee antropologische
types te onderscheiden, welke namelijk verschillen door den vorm van den schedel, de
gestalte, de huidskleur en de kleur der oogen; eveneens heeft men twee volkengroepen,
met verschillende mentaliteit, met geenszins verwante spraak, met verschillende
aardrijkskundige kenmerken". De auteurs die ingingen op de etnische verschillen tussen
Vlamingen en Walen, beklemtoonden daarna telkens wel de eenheid van de Belgen: "De
vermenging der beide groepen is op onze dagen een schier voldongen feit: 't Belgisch volk
is een volk op zijn eigen, totaal verschillend van zijn naburen" (Halkin, 1927). Op die
manier reproduceerden de handboeken uiteindelijk toch de traditionele politieke visie
van de unitaire Belgische staat.
3.5.1.3 Beschaafde en minder beschaafde rassen
Opvallend aan het eerste, lange citaat in paragraaf 3.6.1.1.. is dat het niet enkel een
driedeling van de wereldbevolking voorstelt, maar ook een karakterisering van de drie
onderscheiden rassen. Dat de auteurs het hebben over de kleur van de huid, de dikte van
de lippen of de baardgroei (de vrouw deed er blijkbaar niet toe) hoeft in eerste instantie
nog niet te verbazen. Deze fysieke kenmerken zijn namelijk inherent aan een
antropometrische uitwerking van het rassenbegrip. Anno 2006 kan het de lezer echter
niet anders dan verwonderen dat de verschillende rassen zelfs na de Tweede
Wereldoorlog nog psychische eigenschappen werden toegedicht. Zo lezen we dat het
blanke ras veel geleerden heeft voortgebracht, dat mensen met een gele huidskleur zeer
geduldig zijn en dat de zwarten over het algemeen minder hard werken dan de rest van
de wereldbevolking.
Ook de begeleidende illustratie windt er duidelijk geen doekjes om (figuur 9). De blanke
man draagt bijvoorbeeld een maatpak, de gele een karakterloze jas en de zwarte een
strooien rokje. De tekening toont verder dat blanken leven in rustige steden met
kathedralen en statige herenhuizen (bemerk ook het vliegtuig), terwijl gelen zich moeten
redden in chaotische, overbevolkte straten met houten huisjes. Zwarten moeten het dan
weer stellen met kleine lemen hutjes, ergens in het oerwoud, en houden zich de hele dag
bezig met de meest elementaire menselijke behoeftes: jagen, plukken en eten. De leerling
kan op basis van zo'n figuur toch maar één besluit trekken: het blanke ras staat het verst
op de ladder van de evolutie, de zwarten staan volledig onderaan. Dit is dan ook de
gedachte die tot begin jaren '60 in handboeken gepropageerd werd: "Nergens op den
2 AAVD 73 © 2020 Arteveldehogeschool

