Page 224 - Aardrijkskunde Vakstudie 2_1920
P. 224

om een uniform en samenhangend schema van de gebiedsindeling te scheppen. De NUTS-
                        systemaiek verdeelt de lidstaten in regio’s, rekening houdend met hun administratieve
                        indeling. De systematiek deelt de EU-landen in gebieden in van het niveau NUTS 1 (bv. de
                        Belgische gewesten), gebieden van het niveau NUTS 2 (bv. de Belgische provincies) en
                        kleinere gebieden van het niveau NUTS 3 (bv. de Belgische arrondissementen). De tien
                        EU-lidstaten die in 2004 toetraden omvatten 41 statistische regio’s van het niveau NUTS
                        2, Roemenië en Bulgarije, die in 2007  toetraden, tellen er samen 14. Men neemt de
                        gebieden van NUTS 2 als basis voor de statistische verwerking. Het nadeel van de NUTS-
                        systematiek is dat de indeling in regio’s variaties vertoont in grootte, bevolkingsdichtheid
                        en sociale structuur, en daarom geen directe vergelijking toelaat.


                          ▪  Bruto Binnenlands Product als indicator

                        De vaakst gebruikte indicator om de ontwikkelingsgraad te bepalen en de ongelijkheden
                        tot uiting te laten komen, is het Bruto Binnenlands Product (BBP), die de economische
                        productie van een regio meet.

                        De vraag stelt zich echter of het BBP volstaat om de ontwikkelingsgraad van een regio
                        juist weer te geven. Het inkomen per hoofd zegt nu eenmaal niet waarvoor de inkomens
                        gebruikt worden, bv. voor ziekenhuizenbouw, autosnelwegen of sigarettenmachines. Nog
                        een ander gebrek is dat de gemiddelde waarde van het BBP per hoofd helemaal geen
                        rekening houdt met hoe de inkomens binnen de maatschappij verdeeld zijn. Er is hierin
                        wel een vooruitgang, want Eurostat meet het BBP intussen in koopkrachtmaten, niet
                        alleen  om  rekening  te  houden  met  de  verschillen  in  wisselkoers,  maar  ook  met  de
                        prijsniveaus van de landen. Maar de kritiek dat het BBP een louter monetaire maat is en
                        de sociale en ecologische aspecten buiten beschouwing laat, kan daardoor niet uit de
                        wereld geholpen worden.

                        Daarom moeten er ook andere indicatoren geraadpleegd worden, die geen vervanging
                        zijn  voor  de  betekenis  van  het  BBP  maar  er  een  noodzakelijke  aanvulling  voor  zijn.
                        Hiervoor komen de dichtheid van artsen en de werkloosheidsgraad in aanmerking, maar
                        eventueel ook de internettoegang, om de informatiemogelijkheden en de kans op vrije
                        meningsuiting  te  meten,  of  de  loonsverschillen  tussen  mannen  en  vrouwen,  om  de
                        werkelijke  toepassing  van  de  gelijkheid  van  kansen  te  onderzoeken.  Verder  kan  het
                        aandeel van het gebruik van vernieuwbare energiebronnen informatie bieden over het
                        verbruik van natuurlijke rijkdommen in de toekomst en het ecologisch bewustzijn van de
                        samenleving. Tenslotte moeten indicatoren met betrekking tot de sociale samenhang het
                        solidair handelen, de sociale en de politieke participatie meten, want eigenlijk vormen zij
                        de basis voor het functioneringsvermogen van een samenleving.


                        Een  reden  voor  het  ruimere  gebruik  van  andere  indicatoren  is  de  vraag  naar
                        duurzaamheid in het politieke handelen, ook vanwege de Europese Unie. Toch blijft het
                        BBP op politiek EU-gebied nog steeds beslissend voor de ontwikkelingsgraad, want het
                        beoordeelt op basis daarvan of een regio recht heeft op steun. Het vormt het criterium
                        voor het vastleggen van de Doelstelling-1 regio’s van de EU-landen. Alle regio’s, waarvan
                        het BBP lager ligt dan 75% van het EU-gemiddelde en volgens deze indicator de grootste
                        ontwikkelingsachterstand vertonen, horen tot de Doelstelling-1 regio’s. Het criterium van



                        1 AA VS 2                             224                  © 2019 Arteveldehogeschool
   219   220   221   222   223   224   225   226   227   228   229