Page 225 - Aardrijkskunde Vakstudie 2_1920
P. 225

75%, dat beslist over de grootte van de financiële steun, treft veel tot nog toe gesteunde
                        regio’s, want de 75%-grens zakt door de zwakkere nieuwe lidstaten, zodat veel regio’s,
                        die ooit gesteund werden, het in de toekomst zonder of met minder steun zullen moeten
                        rooien. Dit betekent een grote uitdaging voor de Europese structuur en regionale politiek.

                        De  uitbreiding  van  de  Europese  Unie  naar  27  lidstaten  heeft  de  economische
                        ontwikkelingskloof vergroot. De afstand in BBP per hoofd tussen de 10% van de bevolking
                        in de welvarendste regio’s en hetzelfde procentueel aandeel in de armste regio’s is in
                        vergelijking met de toestand in de EU-15 meer dan dubbel zo groot geworden. Als men
                        de groei van het BBP in de EU-landen die vanaf 2004 toetraden echter vergelijkt met deze
                        van  EU-15  liggen  de  verhoudingen  ietwat  anders:  absoluut  gezien  lijken  die  nieuwe
                        lidstaten zwak, omdat ze voor het grootste deel onder de 50% van het EU-gemiddelde
                        liggen, terwijl volgens de jaarlijkse groeicijfers de economieën van de nieuwe lidstaten
                        naast die van Ierland lijken te bloeien. En niet alle nieuwe lidstaten hebben dezelfde
                        waarden onder het gemiddelde in verhouding tot de EU-15.


                          ▪  Beroepsstructuur als indicator

                        Nog  een  ander  traditioneel  vergelijkingscriterium  dat  vaak  gebruikt  wordt,  is  de
                        beroepsstructuur.

                        Opvallend  is  de  hoge  correlatie  tussen  het  aandeel  van  de  tewerkgestelden  in  de
                        landbouw of van de primaire sector in het BBP en de ontwikkelingsgraad, gemeten naar
                        het inkomen per hoofd. De tertiarisering is dan ook niet overal in de Europese Unie even
                        ver gevorderd. Terwijl in Duitsland het aandeel tewerkgestelden in de tertiaire sector
                        tussen 1989 en 2000 gestegen is ten nadele van vooral de secundaire sector, vertonen in
                        dezelfde periode in Polen zowel de tertiaire als de secundaire sector een vergelijkbare
                        stijging. Geheel anders dan in Letland, waar de transformatieprocessen het wegvallen van
                        arbeidsplaatsen  in  de  secundaire  en  in  de  tertiaire  sector  veroorzaakten  en  de
                        gedupeerden hun toevlucht zochten in de kleinschalige overlevingslandbouw.

                        In de Europese Unie wordt veel belang gehecht aan de landbouw, want de regio’s met de
                        hoogste  aandelen  tewerkgestelden  in  de  primaire  sector  zijn,  afgezien  van  enkele
                        uitzonderingen, tevens Doelstelling-1 regio’s. De hoogste 25% van alle 266 regio’s van het
                        NUTS 2-niveau met het hoogste aandeel tewerkgestelden in de primaire sector bevinden
                        zich meer bepaald in de periferie van de EU. Noord-Finland, Portugal, Spanje, Zuid-Italië,
                        Griekenland  en  nagenoeg  alle  vanaf  2004  toegetreden  lidstaten  bevestigen  dit
                        verschijnsel. In tegenstelling daarmee liggen de bovenste 25% van alle regio’s met het
                        hoogste  aandeel  tewerkgestelden  in  de  dienstensector,  met  uitzondering  van  Praag,
                        Boedapest en Bratislava, bijna uitsluitend in de EU-15-landen. Door de uitbreiding vanaf
                        2004 is de bevolking met meer dan 100 miljoen toegenomen tot 493 miljoen inwoners in
                        2007 (nu reeds meer dan 500 miljoen inwoners). Tegenover deze bevolkingstoename in
                        2004-2007  met  28%  ten  opzichte  van  de  EU-15  en  een  toename  van  34%  van  de
                        oppervlakte staat een grote toename van de landbouwoppervlakte (45%) en een extreme
                        toename  van  de  tewerkgestelden  in  de  primaire  sector  (136%).  De  huidige
                        subsidiëringstructuren zullen daaraan aangepast moeten worden.





                        1 AA VS 2                             225                  © 2019 Arteveldehogeschool
   220   221   222   223   224   225   226   227   228   229   230