Page 172 - Aardrijkskundevakdidactiek_2021
P. 172
7 Hoe meer interactie hoe beter. Interactie tussen leerlingen onderling (samenwerkend
leren) en leerling-leerkracht interactie bieden kansen tot verwoorden, tot greep krijgen op
leerinhouden, tot uitwisselen en bijstellen van inzichten, ... Zoek een evenwicht tussen
klassikale interactie, interacties in groep en zelfstandig werk (met feedback door de
leerkracht). Klassikale interacties bieden vaak te weinig oefen- of productiekansen voor de
leerlingen; leerlingen stellen zich afwachtend op, nemen weinig initiatief (bv. het stellen
van vragen om verduidelijking) en produceren slechts korte antwoorden op de vragen van
de leerkracht. Zie ook tips 9 tot 14.
8 Maak van bovenstaande tips een dagelijks terugkerende routine. Slechts een
intensieve en langdurige aanpak maakt het verschil voor kwetsbare en minder
taalvaardige leerlingen. Een dergelijke aanpak vormgeven en doortrekken doorheen de
ganse school maakt deel uit van het taalbeleid van de school.
6 tips voor een taalontwikkelende interactie.
9 Ga het gesprek met je leerlingen aan, zowel klassikaal als individueel. De kracht van het
gesprek wordt vaak overschat (denk aan de vele klassikale gesprekken), maar ook
onderschat (ze kunnen het denken van leerlingen blootleggen). Vraag wat je leerlingen
denken over een bepaalde lesinhoud. Achterhaal wat ze begrepen hebben en waarover ze
nog een verkeerd beeld hebben. Enkel zo ben je zeker(der) dat ze leren wat je onderwijst.
10 Ga in op de (spontane) bijdragen van de leerlingen en breid deze uit. Zet spontane
gesprekjes op met en tussen leerlingen zodat het klassikale vraag-antwoordspel
doorbroken wordt. Op die manier ontstaan er authentieke, langere gesprekken, waarin
gesprekspartners op elkaars inbreng voortbouwen en echt kennis construeren.
11 Breid je wachttijd uit. Geef een leerling de kans om zijn of haar gedachten te
verwoorden. Geef dus niet direct het woord aan een andere leerling als een eerste leerling
het antwoord op je vraag niet meteen kent, maar wacht 3 tot 5 seconden.
12 Zorg dat elke leerling aan de beurt komt. Meestal worden klassikale gesprekken
gedomineerd door enkele leerlingen, krijgt het merendeel af en toe een beurt en zijn er
enkelen die niets zeggen. Wees je bewust van dat patroon en doorbreek het.
13 Geef feedback op de inhoud en de vorm van wat leerlingen zeggen. Ga expliciet in op
de inhoud, en impliciet op de vorm. Herformuleer de uitingen van leerlingen en verbeter
ze impliciet zodat de leerlingen een correcte vorm aangeboden krijgen. Foute ideeën (bv.
vingerafdrukken zijn een goed DNA-spoor) die leerlingen in de loop van een les opbouwen,
moeten wel expliciet verbeterd worden.
14 Ondersteun de leerlingen bij het verwoorden van hun gedachten, observaties,
ervaringen, besluiten, ... Vervolledig en herformuleer de antwoorden van leerlingen
waar nodig. Help hen om op die manier de overgang te maken van een alledaags,
informeel taalgebruik naar een formeler taalgebruik: het schooltaalregister (zie tip 4 en
13).
2 AAVD 172 © 2020 Arteveldehogeschool

