Page 176 - Aardrijkskundevakdidactiek_2021
P. 176
- Werk vanuit authentieke probleemstellingen, dagelijkse waarnemingen,
levensechte en actuele situaties, maatschappelijke evoluties
Concreet voorbeeld:
“Vandaag zullen we het hebben over de rijstteelt in Moesson-Azië” is heel wat
minder uitdagend dan de les te doen vertrekken vanuit de vraagstelling “waar
wordt de rijst die wij eten geteeld ? Waarom daar ?” Leerlingen voelen zich hier
meer betrokken bij en zullen vlugger het woord nemen.
- Maak waar mogelijk verbindingen met andere vakken:
Concreet voorbeeld:
In de lessen kosmografie zijn nogal wat aanknopingspunten met fysica en
wiskunde. Expliciteer ze; overleg op voorhand met je collega’s van die vakken op
welke manier en wanneer de overeenkomstige inhouden aan bod komen.
- Houd rekening met de beginsituatie van de leerlingen en bouw hierop verder.
Concreet voorbeeld:
Voor de studie van de ontwikkelingskansen van het toerisme in de tweede graad
bouwen we verder op de begrippen en inzichten die leerlingen over dit
onderwerp al in de eerste graad hebben verworven voor de Europese toeristische
landschappen.
- Tracht ook contextrijk te toetsen
Concreet voorbeeld:
“Waarom is het gebied waarvan je de neerslag en de temperatuur kunt aflezen
op dit klimatogram al dan niet aantrekkelijk voor een nieuwe vestiging van Club
Med?” is een contextrijke vraag, in tegenstelling tot “beschrijf temperatuur en
neerslag zoals getoond wordt in dit klimatogram”
2. Gebruik interactieve werkvormen.
- Beperk passieve en reproducerende taken zoals luisteren naar de leraar en
overschrijven van het bord.
- Vermijd het monotone klassikale invullen van werkbladen als een vast onderdeel
van de lessen; kies of maak zelf werkbladen met uitdagende en motiverende
opdrachten, die uitnodigen tot afwisseling van (zoveel mogelijk) activerende
werkvormen in de loop van een les.
- Laat leerlingen aan het woord. Leerlingen kunnen veel leren door met elkaar over
het lesonderwerp te praten o.l.v. de leraar, die het gesprek leidt. Formuleer de
vragen zo dat leerlingen worden uitgedaagd om in interactie te treden. De
leerlingen gebruiken dan zelf actief de aardrijkskundetaal, leren begrippen op de
juiste manier uitspreken en worden zich bewust van hun eigen denken en dat van
anderen (reflectie).
2 AAVD 176 © 2020 Arteveldehogeschool

