Page 206 - Aardrijkskunde Vakstudie 2_1920
P. 206
mijnen tewerkgesteld. Op 20 juni 1946 werd te Rome een Belgisch-Italiaans protocol
ondertekend dat voorzag in de overkomst van circa 50.000 Italiaanse arbeiders voor de
Belgische steenkoolmijnen. Het immigratiebeleid werd goed georganiseerd en
gecontroleerd: de arbeiders werden gerekruteerd voor één sector van het economische
leven: de mijnen. In de periode 1946-1949 werden aldus 77.000 Zuid-Italianen en 20.000
Polen naar België gehaald. Ze werden eerst in eigen land medisch onderzocht alvorens
door de Fedechar gerekruteerd te worden. De kolenslag werd dank zij de vreemdelingen
gewonnen. De ontginning van steenkool was immers erg arbeidsintensief en de
vreemdelingen waren goedkope arbeidskrachten. In 1947 telde België 367.600
vreemdelingen of 4,3 % van de bevolking. In 1948 sloeg de economische recessie toe.
Tussen 1950 en 1954 werd 10 % van de actieve bevolking werkloos. De
immigratiereglementering werd strenger. Nochtans bleek duidelijk dat de Belgische
werklozen de open plaatsen in de steenkoolmijnen niet wilden innemen. Aan looneisen
werd immers niet tegemoetgekomen en de eisen over arbeidsomstandigheden en
veiligheidsmaatregelen bleven dode letter. De Italianen bleken onmisbaar voor de mijnen.
Het harde, ongezonde, en vooral gevaarlijke werk eiste regelmatig slachtoffers. Op 8
augustus 1956 vond de tragedie van de Charbonnage du Bois du Cazier te Marcinelle
plaats. De ramp eiste 262 dodelijke slachtoffers, waaronder 136 Italianen. De Italiaanse
emigratiedienst eiste strengere veiligheidsmaatregelen en weigerde nog nieuwe
contingenten Italianen naar België te sturen. De Belgische overheid en het patronaat
gingen niet op hun eisen in.
▪ Op zoek naar nieuwe wervingslanden tijdens the Golden Sixties
Augustus 1956 was een keerpunt in de immigratie uit het Zuiden van Italië. In deze
periode van hoogconjunctuur ontstond er onevenwicht op de arbeidsmarkt. In
verschillende sectoren groeide een dringend gebrek aan ongeschoolde arbeidskrachten.
De activiteiten verplaatsten zich meer naar de basisindustrie, naar de grote steden waar
vooral de bouwsector volop actief was, naar de havengebieden, de textiel, de
persoonsverzorging, e.d. Hiervoor werden nieuwe wervingslanden gecontacteerd: eerst
Spanje en Griekenland, nadien Marokko en tenslotte Turkije. Tussen de landen van
herkomst en het gastland werden bilaterale overeenkomsten gesloten: afspraken over de
rechten van de inwijkelingen in verband met de arbeidskaart, het verblijf en de sociale
zekerheid. In de jaren 1960 werd een intense rekrutering gevoerd van ongeschoolden uit
Noord-Afrika en Turkije. In opdracht van het Ministerie van Arbeid en Tewerkstelling gaf
het Belgisch Instituut voor Informatie en Documentatie in 1964 een brochure uit : “Vivre
et travailler en Belgique”. De inleiding van deze brochure luidde als volgt:
“Arbeiders, welkom in België! U denkt eraan in België te komen werken? Wellicht heeft U reeds
de ‘grote beslissing’ genomen ? Wij, Belgen, zijn verheugd dat U aan ons land de bijdrage van
uw arbeidskracht en uw intelligentie komt leveren. (…) Uitwijken naar een land dat
onvermijdelijk met het uwe verschilt, brengt enkele aanpassingsproblemen met zich mee.
Deze aanvankelijke moeilijkheden zullen veel vlotter overwonnen worden indien U een
normaal leven, dit wil zeggen een familiaal leven leidt. België is een land waar de arbeid goed
beloond wordt, waar het comfort op een hoog niveau ligt, vooral voor hen die in gezinsverband
leven. (…) In elk geval willen wij U nogmaals verzekeren: de arbeiders uit streken van de
Middellandse Zee zijn welkom onder ons in België.”
1 AA VS 2 206 © 2019 Arteveldehogeschool

