Page 205 - Aardrijkskunde Vakstudie 2_1920
P. 205

omringende landen vormden de Italianen de omvangrijkste groep. In 1910 verbleven er
                        4.490 Italianen in België, amper 2 % van het vreemdelingenbestand. Ook zij oefenden
                        diverse  activiteiten  uit,  met  een  overwicht  van  leurders,  ijsventers,  orgeldraaiers  en
                        stukadoors.  Voor  de  gewone  man  die  weinig  of  niet  met  vreemde  cultuurdragers
                        geconfronteerd werd, belichaamde de Italiaan volop de “vreemdeling” en kreeg zelfs de
                        spotnaam ‘tsoek-tsoek’ mee. Enkel onder de studentenbevolking bevonden er zich vooral
                        Russen,  Zuid-Amerikanen  en  Japanners.  Kort  vóór  de  Eerste  Wereldoorlog  bestond
                        bijvoorbeeld de helft van de studenten aan de Luikse Ingenieursschool uit Russen. Rond
                        1900 telde België ook heel wat politieke vluchtelingen van diverse herkomst: Italiaanse
                        en  Poolse  nationalisten,  Duitse  liberalen,  Russische  opposanten  en  Armeense
                        vluchtelingen.  De  vreemdelingenpolitie  zag  toe  op  hun  activiteiten  opdat  mogelijke
                        schendingen van het neutrale statuut van België zouden vermeden worden. De Eerste
                        Wereldoorlog heeft vervolgens het aantal vreemdelingen doen dalen van 250.000 in 1910
                        tot ca. 150.000 in 1920, of 2,9 % van de bevolking.

                          ▪  Van spontane naar georganiseerde immigratie tijdens het interbellum

                        Vanaf  1920  begon  men  in  het  kader  van  de  naoorlogse  wederopbouw  systematisch
                        buitenlandse  arbeidskrachten  aan  te  werven.  De  daling  van  1920  werd  al  spoedig
                        ingehaald en 10 jaar later, in 1930, waren er al 319.000 vreemdelingen of 3,9 % van de
                        bevolking. Opmerkelijk voor deze jaren is de verschuiving in de samenstelling van de
                        migrantenbevolking:  steeds  meer  migranten  komen  van  buiten  de  ons  omringende
                        buurlanden (37 % in 1930). Men rekruteerde uit verder gelegen Zuid- en Oost-Europese
                        landen.  Naast  zo’n  30.000  Italianen  en  50.000  Polen  waren  er  ook  enkele  duizenden
                        Tsjechen, Joegoslaven, Hongaren en Roemenen. Onder deze migranten bevonden zich
                        ook heel wat politieke vluchtelingen waaronder vooral Russische emigranten, Hongaarse
                        en Spaanse vluchtelingen, Italiaanse antifascisten, Duitse antinazi’s en in toenemende
                        mate Duitse, Poolse, Hongaarse en Roemeense Joden. Door de economische terugval in
                        1929  kwamen  er  een  stagnatie  in  de  immigratie,  doch  in  1936  kende  de  Belgische
                        economie  een  opflakkering.  In  Limburg  werden  nieuwe  steenkoolmijnen  geopend.
                        Opnieuw werden vreemde arbeidskrachten, voornamelijk uit Italië, aangetrokken. Deze
                        vreemdelingen waren plattelandsbewoners met weinig ervaring op het gebied van sociale
                        strijdvaardigheid.  Ze  vormden  een  welgekomen  alternatief.  In  Wallonië  waren  de
                        Belgische arbeiders immers beter georganiseerd en  zagen ze ertegen op om naar de
                        Limburgse  mijnen  te  verhuizen.  Ze  zagen  hun  kinderen  liever  in  beter  betaalde  en
                        aangenamere sectoren tewerkgesteld. In 1937 werd het ondergrondse mijnwerk al voor
                        meer  dan  een  vijfde  door  vreemdelingen  uitgevoerd.  Ook  de  diamantnijverheid,  de
                        confectie en de lederbewerking verschaften arbeid via kleinere bedrijven.

                          ▪  Het Italiaans decennium van 1946 tot 1956


                        Na de Tweede Wereldoorlog werd gestart met de wederopbouw van het land. Steenkool
                        was op dat ogenblik de voornaamste energiebron. Het patronaat en de Belgische overheid
                        wilden de steenkoolproductie doen stijgen. De steenkoolslag moet gewonnen worden!
                        Probleem hierbij was echter dat de steenkoolmijnen niet voldoende bemand geraakten.
                        Dus werden de Duitse krijgsgevangenen (vrijlating in mei 1947) en de incivieken in de




                        1 AA VS 2                             205                  © 2019 Arteveldehogeschool
   200   201   202   203   204   205   206   207   208   209   210