Page 138 - Aardrijkskundevakdidactiek_2021
P. 138
5.2.3.4 Varianten.
Deze werkvorm kan ook gedaan worden met één kaart die door alle groepen wordt
gereproduceerd. Zoals eerder gesteld kunnen allerlei soorten kaarten gebruikt worden,
maar ook andere structuurgetrouwe afbeeldingen. Dat zijn afbeeldingen zoals schema's
en tekeningen waarop de werkelijkheid op een vereenvoudigde manier wordt
weergegeven. Dit soort afbeeldingen kun je lezen door te ontdekken hoe de structuur in
elkaar zit. Concrete beelden zoals foto's hebben daarvoor te weinig structuur en analoge
beelden zoals grafieken en cartoons zijn daarvoor te abstract. Beide zijn ze minder
geschikt voor deze opdracht. Een moeilijker variant is dat leerlingen niet één maar twee
kaarten voorgeschoteld krijgen waartussen een relatie is, bijvoorbeeld een relëf en een
kaart met de bevolkingsspreiding in hetzelfde gebied. Leerlingen worden dan ook
aangesproken op hun vermogen tot kaartanalyse. Een ander soort variant is dat leerlingen
als ze hun 10 beurten gehad hebben de kaart aan de docent geven en dat het spel
opnieuw begint met een nieuwe reeks van 10 beurten waarbij de docent twee net
gemaakte kaarten steeds 10 seconden laat zien aan de andere groep De groepen A
proberen een kaart van groep B te schetsen en vice versa. Er treedt dan twee keer
vertekening op.
5.2.4 De ‘taboewerkvorm’
Een nieuw begrip wordt het best aangebracht via het C-S-A-principe. Bij wijze van
oefening kan men met de taboewerkvorm de begrippen verder uitdiepen. Je hoeft enkel
op te geven welke woorden niet mogen gebruikt worden in de definitie. Je laat iemand
anders het begrip ‘raden’ .
Dit toont meteen aan dat een definitie op verschillende wijzen kan geformuleerd worden
en dat klakkeloos van buiten leren van definities onzin is.
VOORBEELD EN OPDRACHT
Definieer onderstaande begrippen zonder gebruik te maken van de opgegeven
taboewoorden.
Begrip Taboewoorden
1. Gletsjer Ijs – sneeuw
2. neerslag Regen – hagel – sneeuw –wolken -water
3. Breukvlak van een steen splijten
4. Doorlatendheid van de bodem snelheid - water
5. Oppervlaktestroom snelheid –verval – water - bodem
rivier –afstroming – oever -grond
6. wateropslag gletsjer – aquifer – oceaan -
planten – grondwater - landijs
7. Extensieve veeteelt arbeid – weinig rendement
8. Droogtelandbouw irrigatie –droogte - water
2 AAVD 138 © 2020 Arteveldehogeschool

