Page 136 - Aardrijkskundevakdidactiek_2021
P. 136

Figuur 41: voorbeeld van de fotocombinatie-werkvorm ( (Neyt, et al., 2009).


               5.2.3    De ‘cartograafwerkvorm’: opbouw van een kaartbeeld.

                        (Vankan & van der Schee, 2004)
                        Groepen leerlingen tekenen een kaart na waarvan ze het origineel allemaal maar heel
                        even  hebben mogen  bekijken.  Een  kwestie van  geografisch  inzicht  en  teamwork. Een
                        korte opdracht die heel veel positieve reacties bij leerlingen en leraren oproept. Let wel,
                        enkel voor kaarten van regio’s, niet van werelddelen.

               5.2.3.1  Doel.

                        Met deze oefening worden drie doelen bereikt:


                           1.  Leerlingen leren over een bepaald gebied en/onderwerp
                           2.  Leerlingen leren kaartvaardigheden, met name kaartlezen en kaartproductie. '
                           3.  Leerlingen leren samenwerken.

               5.2.3.2  Voorbereiding.

                        Deze werkvorm past goed in een lesuur van 40 a 50 minuten. Je hebt twee verschillende
                        kaarten nodig. Hou van elke kaart 15 kopieën achter de hand. Daarnaast heb je 6 grote
                        vellen wit papier nodig, 12 tekenstiften, plakband en een schaar. De twee kaarten moeten
                        niet  teveel verschillen  in  complexiteit en  kunnen  in principe  over  van  alles  gaan.  Het
                        mooist is het echter als je twee verschillende kaarten hebt over het onderwerp waarover
                        je les aan het geven bent in die klas. Je kan daarvoor allerlei soorten kaarten gebruiken
                        (thematische  kaarten,  topografische  kaarten,  plankaarten  etc.)  uit  allerlei  bronnen
                        (atlassen, boeken, kranten, etc.). Belangrijk is van tevoren goed te bedenken hoe, gezien
                        de groepsgrootte, de opdracht georganiseerd moet worden, want de opdracht staat of
                        valt met een goede organisatie. Hier wordt uitgegaan van een klas met 30 leerlingen.


               5.2.3.3  Instructie.

                        Organiseer eerst de klas en het klaslokaal. Er zijn 3 groepen van 5 leerlingen mogen aan
                        de ene kant van de klas (A) en er 3 groepen van 5 leerlingen aan de andere kant van de
                        klas (B). Elke leerling in elke groep heeft een nummer van 1 tot 5. De tafeltjes in de klas
                        staan in 6 groepen. Stoelen kunnen eromheen staan. Elke groep van 5 leerlingen zit of
                        staat bij een set tegen elkaar geschoven tafeltjes waarop een groot vel wit papier ligt plus
                        twee grote tekenstiften.



                        2 AAVD                                 136                  © 2020 Arteveldehogeschool
   131   132   133   134   135   136   137   138   139   140   141