Page 28 - Aardrijkskundevakdidactiek_2021
P. 28

een bijna alles bepalende invloed had, correlaties tussen bijvoorbeeld elektriciteit in de
                        lucht  en  beurskoersen,  jaartemperatuur  en  'seksuele  extravaganties'  (hij  liet  in  het
                        midden wat hij daaronder verstond).

                           -  Ga na of we met causaliteit te doen hebben, of alleen met correlatie.


                        Correlatie  tussen  twee  ruimtelijke  spreidingspatronen  (bijvoorbeeld  tussen  gematigd
                        klimaat en vrijheid, tussen warme klimaten en despotisme) impliceert niet automatisch
                        causaliteit (zoals de afname van het aantal ooievaars en de afname van het geboortecijfer
                        evenmin causaal samenhangen). Men zal moeten verklaren waarom dat verband tussen
                        klimaat en democratie bestaat. Soms slaagt men erin om onwaarschijnlijke verbanden
                        aannemelijk te maken. Zo beredeneerde de Nederlandse econoom Geert Hofstede via
                        een keten van maar liefst zestien tussenliggende variabelen waarom er een significante
                        relatie bestaat tussen de mate waarin in een land sociale ongelijkheid wordt geaccepteerd
                        en de afstand van dat land tot de evenaar (hoe hoger de breedteligging, hoe minder
                        sociale ongelijkheid vanzelfsprekend is). Anderen hebben geconstateerd dat de dichtheid
                        van  steden  afneemt  bij  een  toenemende  afstand  tot  de  evenaar  (verzin  zelf  een
                        verklaring).

                           -  Ga na, bij causaliteit, hoe dit begrip wordt opgevat.


                        Oorzaak-gevolg relaties zijn in de natuurwetenschappelijke wereld namelijk anders van
                        aard dan in de sociaal-wetenschappelijke wereld. Een steen valt naar de aarde door de
                        werking van de zwaartekracht. Het nederzettingenpatroon hangt samen met het reliëf,
                        niet omdat reliëf dwingend bepaalt waar de mensen wonen, maar omdat mensen zo
                        handelen dat hun kans op voortbestaan het grootst is. Dus kiezen zij voor hogere locaties
                        in  een  door  overstromingen  bedreigd  gebied.  Een  steen  heeft  niets  te  kiezen.  In  de
                        sociaal-wetenschappelijke methodologie wordt wel onderscheid gemaakt tussen because
                        of- en in order to-redeneringen.

                           ▪  Mens- en wereldbeelden

                        Of we willen of niet, niet de vergelijking van mensen en stenen komen we onvermijdelijk
                        terecht  op  het  terrein  van  mensbeelden  en  wereld-beschouwingen.  Het  geografisch
                        determinisme was en is namelijk niet alleen een theorie, maar vooral een (impliciete)
                        filosofie van de mens en zijn omgeving. Zwart-wit gezegd: is de mens actief, vrij om de
                        fysieke wereld te veranderen en verantwoordelijk voor zijn eigen handelen? Of is de mens
                        passief, onderworpen aan omgevingskrachten die hem sturen? Het is duidelijk dat het
                        geografisch determinisme de tweede visie vertolkt. Daarmee staat het op gespannen voet
                        met de christelijke leer die de mens op een voetstuk plaatst. In het bijbelboek Genesis
                        bijvoorbeeld krijgt de mens van God de opdracht te heersen over de natuur. Deel van de
                        natuur zijn de mensen in het pre-Darwin tijdperk niet; ze staan in de natuur maar zijn niet
                        van de natuur.

                        Rond 1900, toen het geografisch determinisme en het evolutionair ontwikkelingsdenken
                        populair waren, werd vaak een onderscheid gemaakt tussen volkeren die geleerd hadden
                        hoe het fysisch milieu hun wil op te leggen en volkeren die dat (nog) niet hadden geleerd.
                        Die tweedeling viel samen met die tussen christelijke, hoogontwikkelde culturen enerzijds
                        en niet-christelijke 'primitieve' of 'half-primitieve volkeren' anderzijds. Lees bijvoorbeeld
                        wat C.M. Kan - tussen 1877 en 1907 hoogleraar geografie in Amsterdam - poneert in het
                        laatste  deel  van  zijn  vuistdikke  Handleiding  bij  de  beoefening  der  economische

                        2 AAVD                                 28                   © 2020 Arteveldehogeschool
   23   24   25   26   27   28   29   30   31   32   33