Page 29 - Aardrijkskundevakdidactiek_2021
P. 29
aardrijkskunde (1912). Hij zegt in zijn boek aangetoond te hebben dat de 'beschaafde
staten in Europa en in de gematigde zone' veel verder gevorderd zijn in het beheersen en
exploiteren van de natuur dan de 'halfbeschaafde of de natuurvolken'. Bij die
laatstgenoemde volken oefent het geografisch milieu nog steeds een 'alles overwegende
invloed uit'. Het niveauverschil in ontwikkeling tussen Europa enerzijds en met name
Afrika anderzijds rechtvaardigt en passant de koloniale verhoudingen. De Britten spraken
van the white man's burden: de plicht van de Europeanen om de achtergebleven volken
bij te staan in hun klim langs de weg omhoog.
Zo hebben de Amerikaanse onderzoekers Sachs, Hausmann en Gallup, verbonden aan de
Harvard University, de afgelopen jaren spraakmakende studies gepubliceerd van de
samenhang tussen geografische factoren en welvaart.
Een van hun conclusies is dat gebieden met een tropisch klimaat en/of ver verwijderd van
zee dan wel door zeeschepen bevaarbare rivieren, in een (zeer) nadelige positie verkeren.
(Helemaal erg is het als ook nog eens een of meer landsgrenzen gepasseerd moeten
worden op weg naar zee, hetgeen het geval is bij zogenaamde land-locked countries). Het
contrast tussen enerzijds tropische gebieden die meer dan 100 kilometer van zee of
bevaarbare rivieren liggen en anderzijds gebieden met een gematigd klimaat binnen 100
kilometer van zee of bevaarbare rivieren, is indrukwekkend. De eerste categorie omvat
14 procent van al het bewoonde gebied op aarde, er woont 19 procent van de
wereldbevolking en haar aandeel in de wereldproductie is 7 procent. Voor de tweede
categorie gelden respectievelijk de aandelen 8, 23 en 53 procent. Samenlevingen met een
ongunstige site en situation zijn de 'prisoners of geography' - aldus de bondige slotsom.
Overigens: al baarden de artikelen het nodige opzien, hun boodschap is allesbehalve
nieuw. Geografen brachten haar al veel eerder, zoals Pierre Gourou.
▪ Kleingeestige bergvolken
Veel geografen reageren echter onwennig op de hernieuwde aandacht voor de rol van
het geografisch milieu. Simon Schama introduceerde hierin het begrip 'morele geografie'.
Voortdurend had God het Nederlandse volk beproefd met rampzalige overstromingen, en
keer op keer had dit volk de watervloed niet alleen doorstaan, maar zelfs overwonnen.
De Nederlandse samenleving droeg, constateerde Schama, een 'vloedkarakter'.
Ook bij de overstromingsramp van New Orleans in 2005 en de tsunami in 2004 beweerden
mensen dat dit een straf van God was…
Alsof het (veronderstelde) nerveuze karakter van de Japanners kon worden begrepen uit
de vulkanische bodem van het land; alsof de kleingeestigheid van bergvolken kon worden
toegeschreven aan hun leven tussen bergen en de ruimdenkendheid van volken op de
vlakten en langs de kust aan hun wonen in gebieden waar de horizon te zien was; alsof
het hoge morele niveau van oasevolkeren lag aan het feit dat dieven er altijd ontdekt
werden omdat zij voetsporen in het zand achterlieten..., zo schamperde Heinemeijer.
Maar zijn kritiek onderbouwde hij niet met argumenten. Bij hem leek vooral een soort
verlegenheid met het disciplinaire verleden mee te spelen: geografisch determinisme
'hoort' niet.
2 AAVD 29 © 2020 Arteveldehogeschool

