Page 34 - Aardrijkskundevakdidactiek_2021
P. 34
Het gemakkelijkst en het meest succesvol zijn de kwantitatieve toepassingen in
geografische domeinen die een duidelijke binding vertonen met de
natuurwetenschappen, nl. de fysische geografie, de klimatologie en de cartografie. De
toepassingen waren heel wat moeilijker in de sociaal-economische geografie, wat niet
verwonderlijk is in het licht van de possibilistische traditie.
In de kwantitatieve geografie heeft men tot doel de analyse te maken van ruimtelijke
spreidingen ("spatial analysis") met de wetmatigheden die daaraan ten grondslag liggen.
Het kwantitatieve paradigma krijgt echter ook veel tegenwind. Vele geografen vrezen dat
men zich te sterk gaat vastklampen aan het beheersen van technieken en dat men voorbij
gaat aan de essentie van de geografie. Anderzijds stellen de aanhangers van de
kwantitatieve richting zich erg arrogant op en verwerpen in principe elke niet-
mathematische benadering, waardoor ze veel waardevols, o.a. de regionale geografie,
overboord gooien.
2.4.3 Wetenschappelijke theorievorming, modellen en systemen.
De kwantitatieve revolutie evolueert gelukkig heel snel naar een theorievormende en
modelbouwende geografie, die zoals elders in de exacte wetenschappen hypothetisch-
deductief wil zijn, in tegenstelling tot de traditionele geografie die als idiografisch-
inductief wordt bestempeld.
Men vergeet echter al te dikwijls dat ook bij de inductieve methode theorievorming
aanwezig was, nl. afgeleid uit de beschrijving van de regelmaat in de ruimtelijke
schikkingen van menselijke en fysische verschijnselen. Nu levert de kwantitatieve aanpak
echter afdoende technieken om de wetenschappelijke theorievorming in belangrijke
mate te vergemakkelijken en te verklaren: het toetsen van hypothesen en het maken
van voorspellingen liggen nu in het bereik.
Deze nieuwe werkwijze werd als een filosofisch en methodologisch geheel gepresenteerd
door D. Harvey in zijn succesvol boek "Explanation in geography".
In feite was het fysisch-determinisme al een eerste, zij het erg primitieve, poging om tot
wetten te komen via hypothetisch-deductief denken. De opgebouwde theorieën en
wetten dienen om de werkelijkheid te verklaren: men toont aan dat de feiten moesten
voorkomen onder de gegeven omstandigheden, ze zijn voorspelbaar en bijgevolg niet
uniek of willekeurig.
In die jaren zestig wilden de geografen, vooral de jongeren, strikt wetenschappelijk
verklarend zijn, zoals Harvey het formuleert: "The purpose of an explanation may be
regarded as making an unexpected outcome an expected one, of making a curieus event
seem natural or normal".
In dit paradigma van wetenschappelijke theorievorming hoort ook het werken met
modellen thuis, nl. het "denken naar analogie".
Om licht te werpen op de realiteit gaat men uit van een assumptie dat er een gelijkenis
van relaties of van attributen bestaat tussen bepaalde verschijnselen (een deel van de
reële wereld) en een analogie of een model. De modelbouwer kan verschillende
werkelijkheid. Zulk model kan fysisch, geometrisch, algebraïsch, diagrammatig enz. zijn.
Op zichzelf bewijst een model niets, maar het is als een werkhypothese die via
dataverwerking, verandering van variabelen en toetsing tot een theorie over de reële
wereld kan worden.
2 AAVD 34 © 2020 Arteveldehogeschool

