Page 79 - Aardrijkskundevakdidactiek_2021
P. 79

een beroep moet doen op de vooruitgang in de biochemie, zoals die in andere vakken
                        wordt onderwezen. In plaats van te denken in termen van huidskleur of schedelvorm, lijkt
                        het  ons  in  de  eenentwintigste  eeuw  aangewezen  om  het  te  hebben  over  genen  en
                        nucleotideparen. Op die manier, zo beklemtoonden Debulpaep et al. (1977, p. 25) dertig
                        jaar geleden al in hun handboek, ligt de conclusie voor de hand: "Biochemisch onderzoek
                        relativeert  sterk  de  betekenis  van  antropometrische  indelingen  en  het  belang  dat  er
                        vanuit  wetenschappelijk  standpunt  mag  aan  gehecht  worden"  (figuur  15).  Zo  wordt
                        namelijk duidelijk dat de genetische variabiliteit tussen verschillende personen niet op te
                        delen valt in een aantal discrete groepen waar dan het label 'ras' op geplakt kan worden.
                        Genetisch gezien nemen we inderdaad wel verschillen waar tussen mensen, maar die
                        moeten eerder bekeken worden als een verschil tussen individuen in plaats van tussen
                        groepen van individuen (figuur 15).









                            Figuur 20:“Gemiddeld aantal verschillende nucleotideparen in het DNA tengevolge van mutaties
                                                    (Debulpaep et al;, 1977, p. 25).

                        Ten tweede lijkt het ons van belang om in handboeken aan te geven dat ras nog altijd wel
                        een  sociale  betekenis  heeft.  In  veel  samenlevingen  worden  mensen  immers  ge-
                        discrimineerd op basis van hun vermeende raciale kenmerken. Overal ter wereld is ras
                        nog een realiteit in de betekenis van racisme en rassendiscriminatie. Het feit dat een
                        kleine groep blanken in Latijns- Amerika zich van de grote groep mestiezen en indianen
                        kan distantiëren wijst bijvoorbeeld op de onderlinge machtsrelaties in die samenleving.
                        Precies op dezelfde manier zien we dat hispanics in officiële tellingen in de V.S. een aparte
                        categorie zijn en dat er in België steeds meer gepraat wordt over blanken en bruinen. Om
                        die macht te behouden is het soms nodig om groepen op te nemen binnen het eigen ras
                        in plaats van ze af te stoten. Op die manier kunnen we begrijpen waarom een rijkere
                        Spaanssprekende mesties een blanke kan worden in Latijns-Amerika, en waarom Ieren,
                        Zuid-Europeanen,  hispanics  en  Aziaten  mettertijd  blanke  Amerikanen  werden.  Om
                        dezelfde  redenen  karteerde  men  de  verspreiding  van  de  blanken  op  oudere  raciale
                        kaarten (figuur 6) tot in Ethiopië en over praktisch gans Amerika (bemerk het verschil met
                        de rechterhelft van figuur 12). Om duidelijk te maken dat blanken effectief het meest
                        beschaafd waren, was het nodig om aan te geven dat ze ook ruimtelijk gezien het meest
                        succesvol waren.

               3.5.3    Over andersheid, multiculturaliteit en botsende beschavingen

               3.5.4    Van ras naar cultuur
                        Zeggen dat de schoolaardrijkskunde zich volledig onafhankelijk van deze biochemische en
                        sociologische theorieën ontwikkelde, zou een leugen zijn. De wetenschappelijke kritiek
                        op de rassenleer zorgde er samen met de wansmakelijkheid van de holocaust en het
                        failliet van de kolonies voor dat de raciale classificatie steeds minder aandacht kreeg in
                        het onderwijs. De holocaust maakte benamingen zoals het Joodse ras of de Germaanse
                        variëteit totaal onaanvaardbaar, terwijl de dekolonisatie de relevantie van de rassenleer
                        verminderde, in die zin dat de superioriteit van het blanke ras niet meer moest ingeroe-
                        pen worden ter verantwoording van de koloniale onderneming. In de handboeken van na
                        1960 stond er dan ook niet meer te lezen dat ontwikkeling, verstand, arbeidsethiek of
                        geduld raciale eigenschappen waren.


                        2 AAVD                                 79                   © 2020 Arteveldehogeschool
   74   75   76   77   78   79   80   81   82   83   84